Over de BAV Hardlopen Jeugd Lid worden Wandelfit BAV Wintercup

Wat is pupillen atletiek?

Hier onder staat een korte uitleg over pupillen atletiek, wil je meer weten over onze vereniging download dan ons jeugd-informatie boekje.

De springnummers

In de pupillen atletiek zijn er twee springnummers: het hoogspringen en het verspringen .

Verspringen

Bij het verspringen maakt de atleet, net als bij de vorige springnummers, een lange aanloop. Aan het eind van die aanloop maakt hij zijn sprong. Hij zet af op de afzetbalk die voor de zandbak in de grond is gegraven. Als zijn voet, of zelfs maar een klein teentje, over de balk komt is de sprong ongeldig. De zandbak is altijd netjes aangeharkt zodat men altijd goed kan zien waar de springer neergekomen is. Als de atleet in de zandbak naar achteren is gevallen telt niet de afdruk van zijn voeten maar die van zijn rug of hand. Elke deelnemer maakt een aantal sprongen. De beste daarvan telt. Er zijn een aantal technieken bij het verspringen. De beste atleten van de wereld maken gebruik van de loopsprong, waarbij het lijkt of de atleet in de lucht nog een paar passen maakt. De meeste andere atleten maken gebruik van de hangsprong waarbij je zo snel mogelijk je beide benen naar voren werpt.

Hoogspringen

Bij het hoogspringen moeten de atleten over een lat springen die op de twee staanders ligt. Als de lat er af valt is de poging van een atleet ongeldig. Na elke geslaagde sprong gaat de lat enkele centimeters omhoog. Als de deelnemer op een hoogte drie keer de lat er af gooit tijdens de sprong is hij uitgeschakeld. Wie het langst overblijft is de winnaar. Beginners springen meestal met de zogenaamde schaarsprong. De benen wippen dan over de lat als een schaar die open en dicht gaat. Gevorderde atleten sprongen vroeger vaak rollend over de lat. We noemen dat een buikrol. Tegenwoordig springen de atleten ruggelings over de lat. Dit noemen de flop of Fosbery-flop genoemd naar de atleet die de techniek voor het eerst gebruikte. Achter de lat ligt en dikke mat die ervoor zorgt dat de atleet zich niet bezeert bij het neerkomen. Het wereldrecord bij het hoogspringen is nu ongeveer 2 ½ meter. Vergelijk dat maar eens met een deur bijvoorbeeld maar dan nog wat hoger want die is meestal zo’n 2,20 meter.

Loopvormen

De beoefening van de atletiek is aan nauwkeurige regels gebonden. Zo zijn de loopnummers ongedeeld in bepaalde vaste afstanden. De sprint gaat afstanden van 40 meter tot 400 meter, Dan komt de middenafstand met de 600 meter, 800 meter, 1000 meter en 1500 meter. De lange afstand begint bij de 3 kilometer en loopt tot aan de marathon. Die marathon is maar liefst 42 kilometer en 195 meter lang.
Het sprinten is vooral een kwestie van snelheid. Omdat de afstand kort is, moet die van de eerste tot de laatste meter in topsnelheid worden afgelegd. De lopers starten vanuit een gehurkte houding vanuit startblokken. Als het startschot klinkt schieten ze als pijlen uit een boog weg. In enkele seconden is het gebeurt. Het wereldrecord op de 100 meter is minder dan 10 seconden! Een explosie van snelheid dus. Op de snelheid kun je wel trainen maar je moet er ook aanleg voor hebben.

Sprint

Bij de sprint lopen de atleten in hun eigen baan, die door lijnen wordt aangegeven. Ze mogen daar geen stap buiten doen. Voor het starten gebruiken ze de startblokken. Dat zijn de schuinsopstaande blokken waar de voeten tegen geplaatst worden. De blokken kunnen ingesteld worden op de maat van de loper. Als de starter het commando ’op uw plaatsen’ geeft dan nemen de sprinters plaats in de blokken. Twee voeten tegen de blokken en de handen achter de lijn. Ook een knie raakt de grond. Dan geeft de starter het commando ‘Klaar’ en komt ook de knie los van de grond. Het achterwerk komt omhoog. Dan schiet de starter met een startpistool en schieten de lopers zo snel mogelijk weg. Soms schiet er iemand te vroeg weg, dat is een valse start, Wie twee keer een valse start maakt, is uitgeschakeld. Een goede start is erg belangrijk, het kan de atleet juist die deeltjes van een seconde opleveren die hem of haar de overwinning bezorgen.

Estafette

Een bijzondere manier van hardlopen is de estafette. Deze wedstrijd wordt gehouden door teams van vier mannen of vrouwen. Elk van hen loopt een afstand, bijvoorbeeld 100m, en geeft daarbij het estafettestokje door aan de volgende deelnemer van zijn team. Het overgeven van het stokje moet zo soepel mogelijk gaan. Om geen vaart te verliezen ligt de tweede loper al op snelheid als hij de stok overneemt. Het wisselen moet gebeuren in het wisselvak. Wie het stokje laat vallen of wisselt buiten het wisselvak kan de wedstrijd niet meer winnen.

Lange afstanden

Uithoudings- en doorzettingsvermogen zijn nog belangrijker bij de lange afstanden. Deze afstanden eisen erg veel van de loper. Het verdelen van de krachten tijdens de wedstrijden is erg belangrijk. Dat geldt vooral voor de marathon. Lang geleden moest de Griekse soldaat Filippines van het plaatsje Marathon naar de hoofdstad Athene rennen om het nieuws te melden dat de Grieken de slag tegen de Perzen hadden gewonnen. Die afstand is gelijk aan de afstand die nu op de marathon wordt gelopen (42km en 195 meter). Het lange afstandlopen is in Nederland de laatste jaren enorm populair geworden. Er zijn tegenwoordig heel vaak loopwedstrijden. Een van de bekendste wedstrijden in Nederland is de Dam tot Dam loop, van Amsterdam door de IJtunnel naar Zaandam, waar veel meer dan dertig duizend deelnemers zijn, en waar op de kortere afstanden ook duizenden kinderen meelopen.

Werpnummers

De werpnummers vragen een echte krachtsexplosie. Het zijn echte krachtsporten. Toch is hier de techniek ook erg belangrijk.

Kogelstoten

Bij het kogelstoten probeert men een metalen bal zo ver mogelijk weg te stoten. De kogel mag dus niet gegooid worden. De kogel weegt voor mannen meer dan 7 kilo en voor de vrouwen 4 kilo. Als je jong bent stoot je eerst met 2 kilo en elke paar jaar wordt deze iets zwaarder.
Bij het kogelstoten staat de atleet in een ring die een doorsnede heeft van ruim 2 meter. Aan de voorkant bevindt zich een balk. Dat is de stootrand. De atleet mag met zijn voeten niet over deze balk komen. Hij mag de ring pas verlaten nadat de kogel de grond heeft geraakt.

Speerwerpen

Bij het speerwerpen wordt de speer niet vanuit een ring geworpen, de werper mag namelijk een aanloop nemen. Tijdens deze aanloop houdt de werper de speer horizontaal boven de schouder met de punt iets omhoog. De speer was vroeger van hout, tegenwoordig is hij van metaal. Voor de mannen is hij 800 gram, voor de vrouwen 600 gram. Voor de jongeren zijn er ook speren van 400 gram. De speer is ongeveer 2,60m lang (voor de vrouwen iets korter). In het midden is deze met touw omwikkeld en dat is tevens de plaats waar de werpers de speren vasthouden. Na de aanloop brengt de atleet zijn werparm zo ver mogelijk naar achteren, ook de rest van zijn lichaam helt achterover. Zo vormt het lichaam als het ware een boog, waaruit de speer wordt weggeschoten. Bij het gooien mag de atleet niet over de cirkelboog komen die het einde van de aanloop markeert. De speer moet met de punt als eerste op de grond komen anders is de worp ongeldig. Er kunnen grote afstanden worden bereikt het wereldrecord is bijna 100 meter!
De pupillen gooien nog niet met de speer dat gebeurt pas als zij ouder worden. Zij werpen met de bal.

Het balwerpen lijkt echter veel op het speerwerpen. De techniek voor het speerwerpen leer je al goed aan als je de bal bovenhands werpt.
Net als bij de andere werpnummers mogen er meerdere pogingen gedaan worden waarvan de beste telt.